Betekenis van:
passeren

passeren
Werkwoord
  • onbedoeld plaatshebben, zich voordoen
"er is heel wat gepasseerd sinds de vorige keer dat ik je zag"

Synoniemen

Hyponiemen

passeren
Werkwoord
  • overslaan bij een benoeming
"zich gepasseerd voelen"
"iemand bij een benoeming passeren"

Hyperoniemen

passeren
Werkwoord
  • voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
"Hij passeerde een aantal auto's en ging weer naar de rechterbaan."
passeren
Werkwoord
  • door een zeef laten gaan
"De saus wordt daarna nog even gepasseerd."
passeren
Werkwoord
  • langs iem. of iets gaan, passeren
"een tractor/fietser passeren"
"mogen passeren"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

passeren
Werkwoord
  • passeren
"een wet passeren"

Synoniemen

Hyperoniemen