Betekenis van:
plaatsvinden

plaatsvinden
Werkwoord
  • gebeuren, geschieden, plaatshebben
"De werkzaamheden zullen vooral in de zomer plaatsvinden."

Voorbeeldzinnen

  1. De ceremonie zal morgen plaatsvinden.
  2. Deze controles kunnen onaangekondigd plaatsvinden.
  3. Deze controles kunnen onaangekondigd plaatsvinden.
  4. De uitslag kan pas plaatsvinden:
  5. Gebieden waarop de samenwerkingsactiviteiten plaatsvinden
  6. Vermeerdering mag vijf generaties lang plaatsvinden.
  7. De lidstaten bepalen hoe de keuringen plaatsvinden.
  8. Zo nodig kan het overleg schriftelijk plaatsvinden.
  9. Controles van overbrengingen kunnen met name plaatsvinden:
  10. De transactie moet op marktvoorwaarden plaatsvinden.
  11. dat er met voldoende regelmaat inspecties plaatsvinden;
  12. De overbrenging kan pas plaatsvinden wanneer:
  13. de omstandigheden waaronder de vlucht zal plaatsvinden, met inbegrip van:
  14. Daarom moet er volgens de Portugese autoriteiten geen terugvordering plaatsvinden.
  15. De omzetting moet worden uitgevoerd voordat alle verdere gegevensverwerkingen plaatsvinden.