Betekenis van:
omgaan

omgaan
Werkwoord
  • om iets heen gaan
"U moet hier naar rechts en dan de kerk omgaan."
omgaan
Werkwoord
  • verstrijken van de tijd
"De dag zal omgaan."
omgaan
Werkwoord
  • omgang hebben met
"Ik ga met die leuke meid om."
omgaan
Werkwoord
  • omgaan met
"met een pistool om kunnen gaan"
"met je gevoelens omgaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

omgaan
Werkwoord
  • onbedoeld plaatshebben, zich voordoen
"in iemand omgaan"
"er gaat heel wat om in dat bedrijf"

Synoniemen

Hyponiemen

omgaan
Werkwoord
  • neervallen; ergens heen of in gooien; omvallen; omgooien

Synoniemen

Hyperoniemen