Betekenis van:
aanspreken

aanspreken
Werkwoord
  • het woord richten tot; tegenhouden
"ik werd aangesproken door een man in een lange grijze regenjas"
"aanspreken met ('u')"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

aanspreken
Werkwoord
  • een voorraad gaan gebruiken
"de voorraad aanspreken"
"de fles was inmiddels duchtig aangesproken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

aanspreken
Werkwoord
  • toespreken
aanspreken
Werkwoord
  • instemming of weerklank wekken
aanspreken
Werkwoord
  • verantwoording of opheldering vragen
aanspreken
Werkwoord
  • in rechten aanspreken
aanspreken
Werkwoord
  • beginnen uit de voorraad te gebruiken