Betekenis van:
varen

varen
Werkwoord
  • je in een vaartuig voortbewegen
"hij heeft z'n hele leven gevaren"
"[een plan] laten varen"

Hyperoniemen

varen
Werkwoord
  • (van een vaartuig) door het water bewegen
"een boot/schip vaart"
"varen van/naar iets"

Hyperoniemen

varen
Werkwoord
  • zich in een vaartuig voortbewegen
"Zij voeren in hun zeilboot rond de wereld."
varen
Werkwoord
  • (''Vlaanderen, Limburg'') zich voortbewegen
"Hij voer ten hemel."
varen
Werkwoord
  • als zeeman dienst doen

Hyperoniemen

varen
Werkwoord
  • (''Limburg'') autorijden
varen
Werkwoord
  • onwennig voorkomen, niet meevallen
varen (de ~ | meervoud varens)
Zelfstandig naamwoord
  • plant
"varens zijn nog steeds populaire kamerplanten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

varen
Zelfstandig naamwoord
  • sporenplant
"De grond in het bos was bedekt met prachtige varens."

Werkwoord