Betekenis van:
uitvaren

uitvaren
Werkwoord
  • zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is
"Toen hij dat hoorde voer hij uit tegen haar dat de glazen er van rinkelden."
uitvaren
Werkwoord
  • met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlaten
"Zij voeren de sluis uit."
uitvaren
Werkwoord
  • ergens heen varen
"tegen iemand uitvaren"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitvaren
Werkwoord
  • ''arch.'' een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden