Betekenis van:
kant

kant (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • fijn geweven textiel
"de/het Brussels(e) kant"

Hyperoniemen

Hyponiemen

kant (de ~ | meervoud kanten)
Zelfstandig naamwoord
  • buitenste strook
"de kantjes eraf lopen"
"aan kant maken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kant (de ~ | meervoud kanten)
Zelfstandig naamwoord
  • zijvlak
"zich van een [goede/slechte/..] kant laten zien"
"er zitten [goede/slechte/..] kanten aan"

Hyperoniemen

Hyponiemen

kant (de ~ | meervoud kanten)
Zelfstandig naamwoord
  • zijde of kant waarheen iets of iem. is gewend
"het mes snijdt aan twee kanten"
"van de verkeerde kant zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kant
Zelfstandig naamwoord
  • een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden
"Het kant op de rok was netjes afgewerkt."
kant
Zelfstandig naamwoord
  • richting
"De juiste kant werd aangegeven op het bord."
kant
Zelfstandig naamwoord
  • zijde
"Een vel papier heeft twee kanten."

Werkwoord