Betekenis van:
koers

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • geldwaarde t.o.v. andere munteenheden; koers op de beurs; het bepalen v.d. prijs
"de koersen dalen/'gaan omlaag'/stijgen/'gaan omhoog'"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • richting v.d. af te leggen vaart of weg
"op koers liggen"
"uit de koers raken"

Hyperoniemen

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • sport met races met paard, fiets of auto; wedstrijd om de snelheid
"een koers rijden"

Synoniemen

Hyperoniemen

koers
Zelfstandig naamwoord
  • richting waarin iets zich ontwikkelt; richting van beleid

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

koers
Zelfstandig naamwoord
  • de richting die een vaartuig of een vliegtuig op een bepaald moment aanhoudt of wil aanhouden
koers
Zelfstandig naamwoord
  • richting waarin ontwikkelingen gaan
koers
Zelfstandig naamwoord
  • ''(handel, beurshandel)'' de ontwikkeling van de waarde van een obligatie, van een aandeel, van een optie etc
koers
Zelfstandig naamwoord
  • ''(geldhandel)'' verhouding ten opzichte van andere valuta
koers
Zelfstandig naamwoord
  • snelheidswedstrijd, met name van wielrenners, paarden of honden

Werkwoord