Betekenis van:
hoek

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • hoekstoot
"een linkse/rechtse hoek"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte binnen twee wanden
"een inspringende hoek"
"in een hoek"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte bij het snijden van twee lijnen
"een scherpe/stompe hoek"
"een rechte hoek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • door lijnen gevormde punt
"iemand alle hoeken van het veld/de ring/de mat laten zien"
"op de hoek"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • in zee vooruitstekende punt van het land
"het hoekje om gaan"
"Hoek van Holland"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

hoek (de ~ | meervoud hoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • zijde of kant waarheen iets of iem. is gewend
"een ongeluk zit in een klein hoekje"
"in alle hoeken en gaten (zoeken)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

hoek
Zelfstandig naamwoord
  • afgelegen, beschutte plaats

Synoniemen

Hyperoniemen

hoek
Zelfstandig naamwoord
  • een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
hoek
Zelfstandig naamwoord
  • een plaats waar twee muren samenkomen in bijvoorbeeld een kamer of op straat
hoek
Zelfstandig naamwoord
  • scherpe haak aan een hengelsnoer of een vislijn

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord