Betekenis van:
zij

zij
Zelfstandig naamwoord
  • één van beide kanten van een lichaam.
"Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug."
zij
Werkwoord
  • aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
"Het zij zo!"
zij
Persoonlijk voornaamwoord
  • 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
"Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?"
zij
Persoonlijk voornaamwoord
  • 3e persoon meervoud
"Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?"

Voorbeeldzinnen

  1. Zij rookt niet.
  2. Zij zien Dan.
  3. Zij rookt veel.
  4. Zij is zeer mooi.
  5. Zij verbrandt snel.
  6. Zij wil dansen.
  7. Zij eten een boterham.
  8. Zij zijn zangeressen.
  9. Zij plukte bloemen.
  10. Zij keken naar elkaar.
  11. Zij sprak veel.
  12. Zij willen rijk worden.
  13. Zij werd kwaad.
  14. Zij geven niets.
  15. Kent zij uw telefoonnummer?