Betekenis van:
zij

zij
Zelfstandig naamwoord
  • één van beide kanten van een lichaam.
"Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug."
zij
Werkwoord
  • aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
"Het zij zo!"
zij
Persoonlijk voornaamwoord
  • 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
"Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?"
zij
Persoonlijk voornaamwoord
  • 3e persoon meervoud
"Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?"