Betekenis van:
spiegel

spiegel
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing"
"Hij zag in zijn spiegel een achteropkomende auto aankomen."
spiegel (de ~ | meervoud spiegels)
Zelfstandig naamwoord
  • glad, weerspiegelend vlak
"voor de spiegel (staan)"
"spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is het mooiste in het land?"

Hyperoniemen

Hyponiemen

spiegel
Zelfstandig naamwoord
  • de vlakke achtersteven van een schip
"De buitenboordmotor is aan de spiegel van het jacht bevestigd."
spiegel
Zelfstandig naamwoord
  • gehalte van bepaalde stof in bloed

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord