Betekenis van:
skiën

skiën
Werkwoord
  • op ski's glijden en afdalen
"naar beneden skiën"
"een week skiën in Oostenrijk"

Hyperoniemen

skiën
Werkwoord
  • zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
"Er wordt daar 's winters veel geskied."
skiën
Werkwoord
  • zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
"We zijn van die hut naar de andere lift geskied."

Voorbeeldzinnen

  1. Ik kan skiën.
  2. Ik denk dat ik ga skiën.
  3. Het door de Internationale Ski Federatie (FIS) georganiseerde wereldkampioenschap Noords skiën;
  4. Buitenschoolse individuele of groepslessen op het gebied van bridgen, schaken, aerobics, dansen, muziek, schaatsen, skiën, zwemmen of andere hobby’s
  5. Het door de Internationale Ski Federatie (FIS) georganiseerde wereldkampioenschap Noords skiën (langlaufen, schansspringen en Noordse combinatie) vindt een bijzondere algemene weerklank en heeft een algemeen erkend, onmiskenbaar cultureel belang voor de Finse bevolking als katalysator van culturele identiteit aangezien Noords skiën in Finland de status van nationale sport geniet.
  6. Voor de toepassing van post 6211 worden als „skipakken” aangemerkt, kledingstukken en stellen of assortimenten van kledingstukken, die naar uiterlijk en textuur herkenbaar zijn als bestemd om hoofdzakelijk te worden gedragen bij het skiën (alpine en langlauf).