Betekenis van:
scheuren

scheuren
Werkwoord
  • hard en roekeloos rijden
"de bocht om scheuren"
"lieve help, wat scheur jij met die ouwe bak"

Synoniemen

Hyperoniemen

scheuren
Werkwoord
  • verscheuren
"iets doormidden scheuren"
"iets in [tweeën/drieën/..] scheuren"

Hyperoniemen

scheuren
Werkwoord
  • in twee of meer delen trekken
"De aardschok scheurde het huis in tweeën."
scheuren
Werkwoord
  • langs een inkeping in twee of meer delen uiteenvallen
"De muur scheurde van boven naar beneden."
scheuren
Werkwoord
  • met een ruk losmaken

Synoniemen

Hyperoniemen

scheuren
Werkwoord
  • weiland door omploegen tot bouwland maken

Hyperoniemen

Hyponiemen

scheur (de ~ | meervoud scheuren)
Zelfstandig naamwoord
  • mond
"je scheur opentrekken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

scheur (de ~ | meervoud scheuren)
Zelfstandig naamwoord
  • barst, spleet
"er zitten scheuren in het wegdek"
"een scheur in iets hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord