Betekenis van:
dekken

dekken
Werkwoord
  • tegenspeler volgen
"de opkomende middenvelder dekken"
"kort dekken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

dekken
Werkwoord
  • vrijwaren van risico, kosten etc.
"kosten dekken"
"de achterhoede dekken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

dekken
Werkwoord
  • bedekken onder een laag
"verf dekt goed"
"dekkende verf"

Hyperoniemen

dekken
Werkwoord
  • borden, bestek op tafel leggen
"de tafel dekken"

Hyperoniemen

dekken
Werkwoord
  • voorzien van een dak
"Dat huis is met riet gedekt."
dekken
Werkwoord
  • ''de tafel ~'' alles op tafel leggen en zetten voor het houden van een maaltijd
"Zij dekte de tafel voor het kerstmaal."
dekken
Werkwoord
  • een verzekering voor een eventualiteit afgesloten hebben
"Het geleden verlies bleek maar gedeeltelijk gedekt."
dekken
Werkwoord
  • ondersteuning voor iets verlenen
"De regering dekte zijn eigenzinnige optreden niet langer."
dek (het ~ | meervoud dekken)
Zelfstandig naamwoord
  • vloer buiten op een schip
"een gezonken dek"
"alle hens aan dek!"

Hyperoniemen

Hyponiemen

dek (het ~ | meervoud dekken)
Zelfstandig naamwoord
  • laag over iets heen
"een dek van sneeuw"

Hyperoniemen

Werkwoord