Betekenis van:
spoken

spoken
Werkwoord
  • door spoken bezocht worden
"het spookt op het Muiderslot"
"het spookt [er/'op zee']"

Hyperoniemen

spoken
Werkwoord
  • rondspoken; als spook rondwaren
"door zijn hoofd spoken"
"door het huis spoken"

Synoniemen

Hyperoniemen

spook (het ~ | meervoud spoken)
Zelfstandig naamwoord
  • beangstigende gedachte; schrikwekkende gedachte; nare gedachte
"het spook van de [werkloosheid]"
"het rode spook"

Synoniemen

Hyperoniemen

spook (het ~ | meervoud spoken)
Zelfstandig naamwoord
  • vervelend meisje
"een naar spook"

Hyperoniemen

spook (het ~ | meervoud spoken)
Zelfstandig naamwoord
  • bleek, mager en lelijk persoon; lelijk iemand

Synoniemen

Hyperoniemen

spook (het ~ | meervoud spoken)
Zelfstandig naamwoord
  • geest v.e. dode; spook; verschijning v.e. spook; spookverschijning
"spoken zien"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord