Betekenis van:
nokken

nok (de ~ | meervoud nokken)
Zelfstandig naamwoord
  • punt v.e. schuin dak; nok van een dak
"in de nok"
"tot de nok (toe) gevuld/vol"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. „loopvlakgroef”: de ruimte tussen twee aangrenzende ribben of nokken van het loopvlakpatroon [2] Zie verklarende figuur.
  2. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken.
  3. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken.
  4. Het loopvlakpatroon van winterbanden bestaat doorgaans uit groeven en massieve vlakken (nokken) die verder van elkaar liggen dan bij normale banden;
  5. Het loopvlakpatroon van winterbanden bestaat doorgaans uit groeven en massieve vlakken (nokken) die verder van elkaar liggen dan bij normale banden;