Betekenis van:
zijn

Werkwoord

zijn
de eigenschap hebben
"Hij is nieuwsgierig."
zijn
tot de groep behoren van
"De leeuw is een dier."
zijn
''~ te'' drukt een verplichting uit
"Dat is te verwaarlozen."
zijn
''~ te'' drukt een mogelijkheid uit
"Er waren stemmen te horen van achter het muurtje."
zijn
gelijk zijn aan
"Johan is onze voorzitter."
zijn
zich bevinden
"We waren in Portugal."
zijn
bestaan; bestaan
"er was eens"
"hij is niet meer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zijn
koppelwerkwoord; uitmaken; zijn
"groot/klein/dik/dun/... zijn"
"hij is directeur/voorzitter/stratenmaker/..."

Synoniemen

zijn
bestaan
"Er is leven na de dood."
zijn
zich ophouden met, tijd en inspanning besteden aan
"aan het [lezen, schrijven, kijken ,...] zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Bezittelijk voornaamwoord

zijn
van hem
"Dat is zijn jas"

Zelfstandig naamwoord

zijn (het ~)
schepsel
"mijn gehele zijn komt daartegen in opstand"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord