Betekenis van:
uitmaken

uitmaken
Werkwoord
  • noemen
"iemand uitmaken voor ['leugenaar'/'rotte vis']"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitmaken
Werkwoord
  • een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
"Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt."
uitmaken
Werkwoord
  • doven (van vuur)
"Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water."
uitmaken
Werkwoord
  • beslissen, verschil maken
"Wie zal uitmaken of het wel waar is."
uitmaken
Werkwoord
  • ''deel ~ van'': een onderdeel zijn van iets
"Het Nederlandstalige woordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van woordenboeken."
uitmaken
Werkwoord
  • koppelwerkwoord; uitmaken; zijn
"deel uitmaken van [een vereniging]"

Synoniemen

uitmaken
Werkwoord
  • vaststellen wat er gedaan moet worden
"iets voor jezelf uitmaken"
"uitmaken of [je iets gaat doen of niet]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen