Betekenis van:
uitmaken
uitmaken
Werkwoord
- noemen
"iemand uitmaken voor ['leugenaar'/'rotte vis']"
Hyperoniemen
Hyponiemen
uitmaken
Werkwoord
- een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
"Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt."
uitmaken
Werkwoord
- doven (van vuur)
"Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water."
uitmaken
Werkwoord
- beslissen, verschil maken
"Wie zal uitmaken of het wel waar is."
uitmaken
Werkwoord
- ''deel ~ van'': een onderdeel zijn van iets
"Het Nederlandstalige woordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van woordenboeken."
uitmaken
Werkwoord
- vaststellen wat er gedaan moet worden
"iets voor jezelf uitmaken"
"uitmaken of [je iets gaat doen of niet]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- watertanks die deel uitmaken van de scheepsconstructie,
- deel uitmaken van een doorlopende reeks, en
- de diensten worden verleend aan de strijdkrachten die deel uitmaken of zullen uitmaken van UNIFIL;
- .9 Gewoonlijk gesloten deuren die deel uitmaken van een ontsnappingsweg.
- Dat monster mag geen deel uitmaken van de reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens.
- Register van locaties die deel zullen uitmaken van het intercalibratienet
- De registratieprocedure kan deel uitmaken van een andere producentenregistratieprocedure.
- die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers,
- Code(s) land(en) die deel uitmaken van het vervoerstraject
- Leidraden die integraal deel uitmaken van de IFRSs zijn dwingend.
- Vanaf 1998 ging KWW deel uitmaken van die „cash pool”.
- de fabrikanten die deel uitmaken van de groep;
- die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers,
- transacties in effecten die deel uitmaken van repo-overeenkomsten,
- Leidraden die geen integraal deel uitmaken van de IFRSs bevatten geen vereisten voor de jaarrekening.