Betekenis van:
uitmaken

uitmaken
Werkwoord
  • noemen
"iemand uitmaken voor ['leugenaar'/'rotte vis']"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitmaken
Werkwoord
  • een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
"Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt."
uitmaken
Werkwoord
  • doven (van vuur)
"Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water."
uitmaken
Werkwoord
  • beslissen, verschil maken
"Wie zal uitmaken of het wel waar is."
uitmaken
Werkwoord
  • ''deel ~ van'': een onderdeel zijn van iets
"Het Nederlandstalige woordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van woordenboeken."
uitmaken
Werkwoord
  • koppelwerkwoord; uitmaken; zijn
"deel uitmaken van [een vereniging]"

Synoniemen

uitmaken
Werkwoord
  • vaststellen wat er gedaan moet worden
"iets voor jezelf uitmaken"
"uitmaken of [je iets gaat doen of niet]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. watertanks die deel uitmaken van de scheepsconstructie,
  2. deel uitmaken van een doorlopende reeks, en
  3. de diensten worden verleend aan de strijdkrachten die deel uitmaken of zullen uitmaken van UNIFIL;
  4. .9 Gewoonlijk gesloten deuren die deel uitmaken van een ontsnappingsweg.
  5. Dat monster mag geen deel uitmaken van de reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens.
  6. Register van locaties die deel zullen uitmaken van het intercalibratienet
  7. De registratieprocedure kan deel uitmaken van een andere producentenregistratieprocedure.
  8. die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers,
  9. Code(s) land(en) die deel uitmaken van het vervoerstraject
  10. Leidraden die integraal deel uitmaken van de IFRSs zijn dwingend.
  11. Vanaf 1998 ging KWW deel uitmaken van die „cash pool”.
  12. de fabrikanten die deel uitmaken van de groep;
  13. die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers,
  14. transacties in effecten die deel uitmaken van repo-overeenkomsten,
  15. Leidraden die geen integraal deel uitmaken van de IFRSs bevatten geen vereisten voor de jaarrekening.