Betekenis van:
afspreken

afspreken
Werkwoord
een onderling vergelijk vastleggen
"Zij spraken af om de vergadering te verzetten."
afspreken
Werkwoord
een afspraak maken
"iets afspreken met iemand"
"afspreken dat ..."

Hyperoniemen

afspreken
Werkwoord
afspreken

Synoniemen

Hyperoniemen