Betekenis van:
plannen

plannen
Werkwoord
  • een tijdstip afspreken om iets te doen
"Kunnen we een afspraak plannen om de verhuizing door te nemen?"
plannen
Werkwoord
  • het maken van een plan
plan (het ~ | meervoud plannen)
Zelfstandig naamwoord
  • zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken in een instelling enz.
"een plan voor [de aanleg van een bos]"
"een sociaal plan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

plan (het ~ | meervoud plannen)
Zelfstandig naamwoord
  • voornemen tot iets
"je plan trekken"
"grootse plannen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

plan (het ~ | meervoud plannen)
Zelfstandig naamwoord
  • rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, trap van beschaving enz.
"een [schrijver] van het tweede plan"
"een hoog plan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord