Betekenis van:
agenda

agenda (de ~ | meervoud agenda's)
Zelfstandig naamwoord
  • afsprakenboekje
"in een agenda"
"een volle agenda"

Hyperoniemen

agenda (de ~ | meervoud agenda's)
Zelfstandig naamwoord
  • lijst van onderwerpen
"op de agenda [staan]"
"iets op de agenda zetten"

Hyperoniemen

agenda
Zelfstandig naamwoord
  • een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
"Je moet nog een nieuwe agenda kopen."
agenda
Zelfstandig naamwoord
  • een lijst van te bespreken punten op een vergadering
"We hebben vandaag een volle agenda."

Voorbeeldzinnen

  1. Agenda
  2. Agenda- of kalenderhouders
  3. Agenda van de zitting
  4. Agenda van de vergaderingen
  5. Agenda van de vergaderingen
  6. Agenda van de vergaderingen
  7. De strategische agenda voor onderzoek
  8. Artikel 15 — Agenda van de zitting
  9. Artikel 48 — Bijeenroepen van commissies en agenda
  10. Aanneming en wijziging van de agenda
  11. bedieningsknoppen voor taken, agenda, nota’s, contactadressen.
  12. Agenda van de vergaderingen van de Commissie
  13. De groep beslist welke thema’s op de agenda worden geplaatst.
  14. De president stelt voor elke vergadering de ontwerp-agenda vast.
  15. Artikel 132 Aanneming en wijziging van de agenda