Betekenis van:
cel

cel (de ~ | meervoud cellen)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte voor een gevangene
"[twaalf jaar] cel krijgen"
"in de cel zitten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

cel (de ~ | meervoud cellen)
Zelfstandig naamwoord
  • elementair bestanddeel van organismen, een deeltje protoplasma met kern
"cellen delen zich"

Hyperoniemen

Hyponiemen

cel (de ~ | meervoud cellen)
Zelfstandig naamwoord
  • eenheid binnen een organisatie
"een communistische cel"

Hyperoniemen

cel
Zelfstandig naamwoord
  • een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
"Gevangenen wonen meestal in kleine cellen."
cel
Zelfstandig naamwoord
  • een kleine ruimte (in een klooster)
"In een klooster bevinden zich cellen."
cel
Zelfstandig naamwoord
  • de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
"Iedere levensvorm heeft cellen."
cel
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de hokjes waaruit de raten van bijen en wespen bestaan

Hyperoniemen

cel
Zelfstandig naamwoord
  • een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
cel (de ~ | meervoud cellen)
Zelfstandig naamwoord
  • toestel waarin elektrische energie opgeslagen kan worden, vooral een in één omhulsel bijeengebracht aantal kleine droge elementen die gebruikt wordt voor de voeding van elektrische apparaten

Synoniemen

Hyperoniemen