Betekenis van:
kamer

kamer (de ~ | meervoud kamers)
Zelfstandig naamwoord
  • holte in een orgaan
"de linker/rechter kamer[van het hart]"

Hyperoniemen

kamer (de ~ | meervoud kamers)
Zelfstandig naamwoord
  • bestuurders; groep van mensen met bepaalde functie
"Kamer van Koophandel"
"de enkelvoudige kamer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kamer
Zelfstandig naamwoord
  • een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie
kamer
Zelfstandig naamwoord
  • een caviteit in bepaalde organen zoals het hart
kamer
Zelfstandig naamwoord
  • plaats in een vuurwapen waar zich de lading bevindt

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. De kamer was warm.
  2. Hoeveel kost de kamer?
  3. Hoeveel kost een kamer?
  4. Kamer te huur.
  5. Hij verliet de kamer.
  6. De kamer van Mr. Johnson was een grote kamer.
  7. Deze kamer is groot genoeg.
  8. Heb je een eigen kamer?
  9. Mayuko kwam de kamer binnen.
  10. Ik moet een kamer huren.
  11. Haar kamer heeft rode muren.
  12. Hij ging zijn kamer binnen.
  13. Hij keek de kamer rond.
  14. John liep de kamer in.
  15. De kaarsen verlichtten de kamer.