Betekenis van:
vertrek

vertrek (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het weggaan
"het vertrek uitstellen"
"zijn vertrek uit/naar [Brussel]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vertrek (het ~ | meervoud vertrekken)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte
"een ruim/somber/eenvoudig vertrek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vertrek
Zelfstandig naamwoord
  • een afgesloten deel van een woning
"Hij verliet het vertrek en begaf zich naar het balkon."
vertrek
Zelfstandig naamwoord
  • de actie van het vertrekken of weggaan
"Zijn vertrek kwam nogal onaangekondigd."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Morgenochtend vertrek ik naar Londen.
  2. Ik vertrek naar Parijs morgen.
  3. Ik moet mij scheren voor mijn vertrek.
  4. Ik vertrek voor een aantal dagen.
  5. Hij besloot zijn vertrek uit te stellen.
  6. We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
  7. Ik wil je nog zien voor ik naar Europa vertrek.
  8. Ik zou u graag zien voor ik naar Europa vertrek.
  9. Daarna vertrek ik, maar dan realiseer ik me dat ik m'n rugzak bij hen thuis heb laten liggen.
  10. VERTREK:
  11. Vertrek
  12. Van vertrek
  13. Eerste vertrek:
  14. Laatste vertrek:
  15. Vertrek — Aankomst