Betekenis van:
vertrek

vertrek (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het weggaan
"het vertrek uitstellen"
"zijn vertrek uit/naar [Brussel]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vertrek (het ~ | meervoud vertrekken)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte
"een ruim/somber/eenvoudig vertrek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vertrek
Zelfstandig naamwoord
  • een afgesloten deel van een woning
"Hij verliet het vertrek en begaf zich naar het balkon."
vertrek
Zelfstandig naamwoord
  • de actie van het vertrekken of weggaan
"Zijn vertrek kwam nogal onaangekondigd."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik moet mij scheren voor mijn vertrek.
  2. Ik vertrek voor een aantal dagen.
  3. We stelden ons vertrek uit vanwege de storm.
  4. Ik wil je nog zien voor ik naar Europa vertrek.
  5. Ik zou u graag zien voor ik naar Europa vertrek.
  6. Daarna vertrek ik, maar dan realiseer ik me dat ik m'n rugzak bij hen thuis heb laten liggen.
  7. VERTREK:
  8. Van vertrek
  9. Eerste vertrek:
  10. Datum van vertrek uur van vertrek
  11. eventualiteitenprocedures bij het vertrek.
  12. Vertrek- en naderingsprocedures.
  13. Inrichting en vertrek
  14. Dialoogtaalindicator bij vertrek
  15. Omgevingstemperatuur in vertrek (oC)