Betekenis van:
plaats
plaats (de ~ | meervoud plaatsen)
Zelfstandig naamwoord
- positie in rangorde
"in/op de [eerste] plaats"
"op de [eerste] plaats eindigen"
Hyperoniemen
Hyponiemen
plaats
Zelfstandig naamwoord
- passage in boek
"De plaatsen in het boek waar hij vernoemt wordt"
Hyperoniemen
Hyponiemen
plaats
Zelfstandig naamwoord
- een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
"De plaats van het ongeval bleef wekenlang afgespannen met politielint."
plaats
Zelfstandig naamwoord
- een plein
"Ik ontmoette hem op de meest centrale plaats van het dorp."
plaats
Zelfstandig naamwoord
- een dorp of stad (woonplaats)
"De plaats waar hij vandaan kwam, bleef lange tijd een vraagteken voor zijn klasgenoten."
plaats
Zelfstandig naamwoord
- een kleine ruimte achter een huis
"Op het plaatsje kwam helemaal geen zon."
plaats (de ~ | meervoud plaatsen)
Zelfstandig naamwoord
- elk van de zelfstandige ruimten waarin een gebouw verdeeld is
"Een plaats vinden voor studenten in Leuven."
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
plaats
Zelfstandig naamwoord
- plaats voor een werknemer in het arbeidsproces
"Hij moest zijn plaats afstaan aan een ondergeschikte"
"Er komen meer plaatsen in de arbeidsmarkt voor vrouwen"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
- admiraliteit
- ambassadeurspost
- apostolaat
- stage
- procuratie
- kalifaat
- kardinaalschap
- presidentschap
- griffierschap
- consulaat
- pleegvoogdij
- dekenaat
- emiraat
- inspectoraat
- co-assistentschap
- rechtersambt
- lectoraat
- gezantschap
- magistratuur
- directoraat
- meesterschap
- burgemeestersambt
- prefectuur
- prelatuur
- premierschap
- directeurschap
- priorschap
- voorzittersstoel
- regentschap
- secretariaat
- sinecure
- leraarschap
- troon
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- De ontmoeting had gisteren plaats.
- Pardon, is die plaats bezet?
- Zonder plaats
- Waar is de mooiste plaats op aarde?
- Waarom ga je niet in mijn plaats?
- Op een andere plaats
- De vereniging van Schotland en Engeland vond plaats in 1706.
- Zeg dat ze plaats voor de helikopter moeten maken.
- Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.
- Speel buiten in plaats van televisie te kijken.
- Wij gebruiken stokjes in plaats van vork en mes.
- Het is hoog tijd plaats te maken voor jongere mensen.
- Ik zou hem niet willen ontmoeten in een donkere plaats.
- Kan jij dit doen in plaats van mij?
- Het kan dat ik zo meteen opgeef en in plaats hiervan een dutje ga doen.