Betekenis van:
plaats

plaats (de ~ | meervoud plaatsen)
Zelfstandig naamwoord
  • positie in rangorde
"in/op de [eerste] plaats"
"op de [eerste] plaats eindigen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

plaats
Zelfstandig naamwoord
  • passage in boek
"De plaatsen in het boek waar hij vernoemt wordt"

Hyperoniemen

Hyponiemen

plaats (de ~ | meervoud plaatsen)
Zelfstandig naamwoord
  • stad, dorp
"Op vakantie komen we door leuke kleine plaatsjes."
"De meeste plaatsen langs de A2 hebben last van geluidsoverlast."

Hyperoniemen

Hyponiemen

plaats
Zelfstandig naamwoord
  • een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
"De plaats van het ongeval bleef wekenlang afgespannen met politielint."
plaats
Zelfstandig naamwoord
  • een plein
"Ik ontmoette hem op de meest centrale plaats van het dorp."
plaats
Zelfstandig naamwoord
  • een dorp of stad (woonplaats)
"De plaats waar hij vandaan kwam, bleef lange tijd een vraagteken voor zijn klasgenoten."
plaats
Zelfstandig naamwoord
  • een kleine ruimte achter een huis
"Op het plaatsje kwam helemaal geen zon."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De ontmoeting had gisteren plaats.
  2. Pardon, is die plaats bezet?
  3. Zonder plaats
  4. Waar is de mooiste plaats op aarde?
  5. Waarom ga je niet in mijn plaats?
  6. Op een andere plaats
  7. De vereniging van Schotland en Engeland vond plaats in 1706.
  8. Zeg dat ze plaats voor de helikopter moeten maken.
  9. Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.
  10. Speel buiten in plaats van televisie te kijken.
  11. Wij gebruiken stokjes in plaats van vork en mes.
  12. Het is hoog tijd plaats te maken voor jongere mensen.
  13. Ik zou hem niet willen ontmoeten in een donkere plaats.
  14. Kan jij dit doen in plaats van mij?
  15. Het kan dat ik zo meteen opgeef en in plaats hiervan een dutje ga doen.