Betekenis van:
meegaan

meegaan
Werkwoord
  • met anderen gaan
"een eindje meegaan"
"meegaan naar een concert"

Hyperoniemen

meegaan
Werkwoord
  • op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
"Hij is met de vorige trein meegegaan."
meegaan
Werkwoord
  • op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan

Voorbeeldzinnen

  1. Toen de twee meisjes aan John hun gevoelens kenbaar maakten, wist hij niet met welk meisje hij moest meegaan.
  2. duurzame goederen moeten ten minste zo lang als de werkzaamheden aan het programma duren, meegaan.