Betekenis van:
trappen

trappen
Werkwoord
  • een voet of beide voeten op of in iets neerzetten
"op [iemands voet] trappen"
"als je van de duivel spreekt, trap je op zijn staart"

Hyperoniemen

trappen
Werkwoord
  • door druk met de voet op een andere plaats of in een bepaalde toestand brengen
"de bal in het doel trappen"
"iemand hard trappen"

Synoniemen

Hyperoniemen

trappen
Werkwoord
  • op de fiets rijden; peddelen; mbt. een vaartuig; fietsen
"naar huis trappen"
"tegen de wind in trappen"

Synoniemen

Hyperoniemen

trappen
Werkwoord
  • een schop geven
"tegen een balletje trappen"
"tegen iemands been trappen"

Synoniemen

Hyperoniemen

trappen
Werkwoord
  • een voet met vaart tegen iets of iemand aan bewegen
trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • reeks treden om omhoog/omlaag te gaan
"een steile trap"
"de trap opgaan/afdalen/aflopen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • stoot met de voet; stoot met de voet
"iemand een trap na geven"
"een trap krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • raketonderdeel

Synoniemen

Hyperoniemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • elk v.d. woordvormen van vergelijking
"de vergrotende trap"
"de trappen van vergelijking"

Hyperoniemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • periode in een ontwikkeling; trap in een ontwikkeling; niveau in een hiërarchie
"de drie trappen van de mystiek"
"de hoogste trap van de maatschappelijke ladder"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord