Betekenis van:
schoppen

schoppen
Zelfstandig naamwoord
  • ?, een kleursoort in het kaartspel
"Ik bood twee schoppen."
schop (de ~ | meervoud schoppen)
Zelfstandig naamwoord
  • stoot met de voet; stoot met de voet
"een vrije schop"
"schoppen uitdelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

schoppen
Werkwoord
  • een schop geven
"een [hond/tegenstander/bal] schoppen"
"tegen [een bal/steen] schoppen"

Synoniemen

Hyperoniemen

schoppen
Werkwoord
  • een trap geven
"Hij schopte de bal in het net."
schoppen
Werkwoord
  • ''het ver schoppen'': succesvol zijn in het leven
"Hij kwam uit een eenvoudige familie, maar schopte het ver doordat hij een succesvol bedrijf begon."

Werkwoord