Betekenis van:
trap

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • reeks treden om omhoog/omlaag te gaan
"een steile trap"
"de trap opgaan/afdalen/aflopen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • elk v.d. woordvormen van vergelijking
"de vergrotende trap"
"de trappen van vergelijking"

Hyperoniemen

trap
Zelfstandig naamwoord
  • een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich schuin boven elkaar bevinden
"Hij liep de trap op."
trap
Zelfstandig naamwoord
  • een vogel uit de familie ''Otididae''
"De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen."
trap
Zelfstandig naamwoord
  • een schop, een stoot met de benen
"Hij gaf de bal een veel te harde trap."
trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • stoot met de voet; stoot met de voet
"iemand een trap na geven"
"een trap krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • periode in een ontwikkeling; trap in een ontwikkeling; niveau in een hiërarchie
"de drie trappen van de mystiek"
"de hoogste trap van de maatschappelijke ladder"

Synoniemen

Hyperoniemen

trap (de ~ | meervoud trappen)
Zelfstandig naamwoord
  • raketonderdeel

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord