Betekenis van:
schop

schop (de ~ | meervoud schoppen)
Zelfstandig naamwoord
  • stoot met de voet; stoot met de voet
"een vrije schop"
"schoppen uitdelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

schop
Zelfstandig naamwoord
  • een trap met de voet
"Ik heb hem daarop een grote schop verkocht."
schop
Zelfstandig naamwoord
  • een graafwerktuig
"Om dat het veld met de schop om te spitten is een heel karwei."
schop
Zelfstandig naamwoord
  • gewoonlijk schoppen, één van beide zwarte speelkleuren
"Ik kon gelukkig op die ingetroefde slag mijn vuile schopje kwijt."

Werkwoord