Betekenis van:
fase

fase
Zelfstandig naamwoord
  • periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
"In de internationale literatuur zijn er nauwelijks gegevens over patiënten in de laatste fase van dementie."
fase
Zelfstandig naamwoord
  • een van de schijngestalten van de maan of een andere planeet
"De maan die wij vanaf de aarde kunnen zien heeft 4 grote, verschillende fasen. Deze fasen vormen samen een cyclus die exact 29,53 dagen duurt."
fase
Zelfstandig naamwoord
  • één van de reeks toestanden die een kringproces eindeloos herhaalt
"Als twee golven dezelfde fase hebben, is het faseverschil gelijk aan 0. Dan wordt gezegd dat de golven in fase lopen."
fase
Zelfstandig naamwoord
  • een verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen
"Stoffen kunnen voorkomen in 3 fasen: de vaste, vloeibare en gasvormige fase."
fase (de ~ | meervoud fases, fasen)
Zelfstandig naamwoord
  • afzonderlijke handeling bij het uitvoeren van een onderneming, plan enz.
"de impulsieve/graduele fase van de vlam"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

fase (de ~ | meervoud fases, fasen)
Zelfstandig naamwoord
  • elk v.d. vormen v.d. maan; schijnbare gestalte v.e. planeet
"de vier fasen van de maan"

Synoniemen

Hyperoniemen

fase (de ~ | meervoud fases, fasen)
Zelfstandig naamwoord
  • periode in een ontwikkeling; trap in een ontwikkeling; niveau in een hiërarchie
"een vroege/late fase"
"anale/orale fase"

Synoniemen

Hyperoniemen