Betekenis van:
periode

periode
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald tijdsbestek tussen twee tijdstippen
"Na de ontdekking van de zeeweg naar Indië volgde er een periode van grote bloei voor Portugal."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • menstruatie
"Zij heeft bijzonder veel last van haar periode."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • interval waarin een functie zich herhaalt
"De sinus en cosinus zijn functies met een periode van 2?."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • een groep cijfers die zich in een reeks blijft herhalen
"We zoeken naar een uitkomst met perioden van meer dan vijf cijfers."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • één volledige cyclus van zich herhalende verschijnselen als pulsreeksen, trillingen of golven
"Het aantal malen dat een periode in een seconde wordt waargenomen, noemt men de frequentie van dat verschijnsel."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • een reeks elementen gerangschikt naar opklimmend aantal protonen tussen twee edelgassen
"Zwavel en zuurstof zijn elementen die tot dezelfde groep maar een andere periode behoren."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • een tekstgedeelte met breed uitgewerkte volzinnen
"Hij beschreef haar gedachten in een periode met veel holle retoriek."
periode
Zelfstandig naamwoord
  • een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvakken
periode
Zelfstandig naamwoord
  • het krijt en het jura zijn '''periodes''' van het era mesozoïcum.