Betekenis van:
vorm

vorm (de ~ | meervoud vormen)
Zelfstandig naamwoord
  • uiterlijke gedaante
"een vaste vorm"
"niet in vorm zijn"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vorm (de ~ | meervoud vormen)
Zelfstandig naamwoord
  • mal
"de taart zit nog in de vorm"
"iets in een andere vorm gieten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vorm
Zelfstandig naamwoord
  • ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
"Een stuk land in de vorm van een driehoek."
vorm
Zelfstandig naamwoord
  • sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden
"Het deeg van de taart werd in de vorm gedaan."
vorm
Zelfstandig naamwoord
  • (veranderlijke) toestand van iets concreets
"Het voorstel in deze vorm."
vorm
Zelfstandig naamwoord
  • lichamelijke conditie
"Hij is goed in vorm."
vorm
Zelfstandig naamwoord
  • gedaante waaronder een woord naar de verbuiging of vervoeging kan optreden

Hyperoniemen

Hyponiemen

vorm
Zelfstandig naamwoord
  • toestand waarin iem. of iets verkeert; voorwaarde
"uit vorm zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

vorm
Zelfstandig naamwoord
  • ''lijdende ~'', ''passieve ~'', ? lijdende vorm
vorm
Zelfstandig naamwoord
  • ''actieve ~'', vormen van het werkwoord waarmee wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handeling actief verricht

Werkwoord