Betekenis van:
stam

stam (de ~ | meervoud stammen)
Zelfstandig naamwoord
  • woordvorm zonder vervoegingen
"achter/na de stam"
"'loop' is de stam van 'lopen'"

Hyperoniemen

stam (de ~ | meervoud stammen)
Zelfstandig naamwoord
  • volksstam
"een lokale stam"
"nomadische stammen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stam
Zelfstandig naamwoord
  • indelingsgroep van de hoogste orde

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stam
Zelfstandig naamwoord
  • een stengel, de dikke houtige stam van een plant
stam
Zelfstandig naamwoord
  • een boomstam, het deel van de boom tussen de wortels en de kruin
stam
Zelfstandig naamwoord
  • ''(genealogie)'' geslacht, familielijn
stam
Zelfstandig naamwoord
  • een volksstam, een samenlevingsvorm bestaande uit groep meer en minder verwante mensen, die meestal minder technologisch gevorderd is
stam
Zelfstandig naamwoord
  • een grote ader die in kleinere aderen vertakt
stam
Zelfstandig naamwoord
  • een onvervoegde of onverbogen woordvorm

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Europeanen probeerden de stam beschaving bij te brengen.
  2. STAM:
  3. Stam/stamvoet
  4. STAM: ICC012
  5. hele stam
  6. STAM: ABTS351
  7. STAM: GHA
  8. stam Fe 9901
  9. STAM: SA 12
  10. Candida oleophila stam O
  11. STAM: Trichoderma asperellum
  12. STAM: EG 2348
  13. Trichoderma asperellum (stam T34)
  14. stam I-1237
  15. Gliocladium catenulatum Stam: J1446