Betekenis van:
gemeenschap

gemeenschap (de ~ | meervoud gemeenschappen)
Zelfstandig naamwoord
  • groep personen; maatschappij; samenleving; samenleving
"de gemeenschap van de gelovigen"
"de Europese Gemeenschap"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gemeenschap
Zelfstandig naamwoord
  • het met één of meer anderen deel hebben aan iets
"Zij trouwden in gemeenschap van goederen."
gemeenschap
Zelfstandig naamwoord
  • samenleving.
"In de VS zijn er vele plaatselijke gemeenschappen."
gemeenschap
Zelfstandig naamwoord
  • geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
"Onze buurman behoort tot de gemeenschap der gelovigen."
gemeenschap
Zelfstandig naamwoord
  • geslachtsgemeenschap.
"In Nederland is het illegaal om gemeenschap te hebben met minderjarigen."
gemeenschap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • paringsdaad; geslachtsgemeenschap; omgang met iemand; het paren; geslachtsgemeenschap; seks; coïtus; geslachtsgemeenschap; paring
"geslachtelijke/vleselijke gemeenschap (hebben)"
"gemeenschap hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gemeenschap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • (van personen) het met elkaar verbonden zijn
"in gemeenschap van goederen (leven/trouwen)"
"in gemeenschap"

Synoniemen

Hyperoniemen