Vervoeging van intrappen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik trap in
    • jij trapt in
    • hij/zij/het trapt in
    • wij trappen in
    • jullie trappen in
    • zij trappen in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik trapte in
    • jij trapte in
    • hij/zij/het trapte in
    • wij trapten in
    • jullie trapten in
    • zij trapten in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingetrapt
    • jij hebt ingetrapt
    • hij/zij/het heeft ingetrapt
    • wij hebben ingetrapt
    • jullie hebben ingetrapt
    • zij hebben ingetrapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingetrapt
    • jij had ingetrapt
    • hij/zij/het had ingetrapt
    • wij hadden ingetrapt
    • jullie hadden ingetrapt
    • zij hadden ingetrapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal intrappen
    • jij zult intrappen
    • hij/zij/het zal intrappen
    • wij zullen intrappen
    • jullie zullen intrappen
    • zij zullen intrappen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingetrapt hebben
    • jij zult ingetrapt hebben
    • hij/zij/het zal ingetrapt hebben
    • wij zullen ingetrapt hebben
    • jullie zullen ingetrapt hebben
    • zij zullen ingetrapt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou intrappen
    • jij zou intrappen
    • hij/zij/het zou intrappen
    • wij zouden intrappen
    • jullie zouden intrappen
    • zij zouden intrappen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingetrapt
    • jij zou hebben ingetrapt
    • hij/zij/het zou hebben ingetrapt
    • wij zouden hebben ingetrapt
    • jullie zouden hebben ingetrapt
    • zij zouden hebben ingetrapt
  • Imperatief

    • jij trap in
    • jullie trapt in

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van intrappen