Vervoeging van uitstralen

Onbepaalde wijs (infinitief): uitstralen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik straal uit
    • jij straalt uit
    • hij/zij/het straalt uit
    • wij stralen uit
    • jullie stralen uit
    • zij stralen uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik straalde uit
    • jij straalde uit
    • hij/zij/het straalde uit
    • wij straalden uit
    • jullie straalden uit
    • zij straalden uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb uitgestraald
    • jij hebt uitgestraald
    • hij/zij/het heeft uitgestraald
    • wij hebben uitgestraald
    • jullie hebben uitgestraald
    • zij hebben uitgestraald
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had uitgestraald
    • jij had uitgestraald
    • hij/zij/het had uitgestraald
    • wij hadden uitgestraald
    • jullie hadden uitgestraald
    • zij hadden uitgestraald
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitstralen
    • jij zult uitstralen
    • hij/zij/het zal uitstralen
    • wij zullen uitstralen
    • jullie zullen uitstralen
    • zij zullen uitstralen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgestraald hebben
    • jij zult uitgestraald hebben
    • hij/zij/het zal uitgestraald hebben
    • wij zullen uitgestraald hebben
    • jullie zullen uitgestraald hebben
    • zij zullen uitgestraald hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou uitstralen
    • jij zou uitstralen
    • hij/zij/het zou uitstralen
    • wij zouden uitstralen
    • jullie zouden uitstralen
    • zij zouden uitstralen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben uitgestraald
    • jij zou hebben uitgestraald
    • hij/zij/het zou hebben uitgestraald
    • wij zouden hebben uitgestraald
    • jullie zouden hebben uitgestraald
    • zij zouden hebben uitgestraald
  • Imperatief

    • jij straal uit
    • jullie straalt uit

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van uitstralen