Betekenis van:
beurs

beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • tentoonstelling van handelaars
"op de beurs [staan/zijn]"

Hyperoniemen

beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • gebouw waar kooplieden bijeenkomen om te handelen of over handel te spreken
"de beurs van Wallstreet"
"de beurs 'stort in'/keldert"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • tasje/zakje voor geld; bewaarplaats voor geld; portemonnee; buidel voor geld
"(diep) in de beurs moeten tasten"
"de beurs trekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • studietoelage; uitkering aan studenten t.b.v. de studie; uitkering aan studenten t.b.v. de studie; schenking voor studie
"een beurs voor [de universiteit/een opleiding]"
"een beurs krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • holte in bindweefsel

Hyperoniemen

beurs
Zelfstandig naamwoord
  • het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
beurs
Zelfstandig naamwoord
  • een houder voor munten en biljetten
beurs
Zelfstandig naamwoord
  • toelage voor iemand die studeren wil
beurs
Zelfstandig naamwoord
  • bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
beurs (de ~ | meervoud beurzen)
Zelfstandig naamwoord
  • huidplooi; draagzak van buideldieren; buidel van dieren

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beurs
Bijvoeglijk naamwoord
  • meer dan rijp; overrijp
"iemand beurs slaan"
"beurse plekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

beurs
Bijvoeglijk naamwoord
  • overrijp, buikziek
beurs
Bijvoeglijk naamwoord
  • beschadigd