Betekenis van:
radio
radio (de ~ | meervoud radio's)
Zelfstandig naamwoord
- toestel dat radiogolven omzet in geluid; toestel dat radiogolven omzet in geluid
"de radio aanzetten/'laten spelen'"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
radio
Zelfstandig naamwoord
- toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
"De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden."
radio
Zelfstandig naamwoord
- (''geen verbuiging'') medium om informatie en amusement uit te zenden
"De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio."
radio
Zelfstandig naamwoord
- toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
"De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden."
radio
Zelfstandig naamwoord
- (''geen verbuiging'') medium om informatie en amusement uit te zenden
"De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio."
Voorbeeldzinnen
- De radio is uit.
- Hoeveel kost deze radio?
- De radio werkt niet.
- Hoeveel kost deze radio?
- Doe de radio aan.
- Hij deed de radio aan.
- Is deze radio van u?
- Mijn radio is alweer stuk.
- De radio is te luid.
- Mag ik jouw radio lenen?
- Volgens de radio zal het morgen regenen.
- Ik heb de radio gerepareerd voor hem.
- Luister jij thuis dagelijks naar de radio?
- Kranten, televisie en radio heten massamedia.
- Gisternacht luisterde ik naar de radio.