Betekenis van:
radio

radio (de ~ | meervoud radio's)
Zelfstandig naamwoord
  • toestel dat radiogolven omzet in geluid; toestel dat radiogolven omzet in geluid
"de radio aanzetten/'laten spelen'"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

radio
Zelfstandig naamwoord
  • toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
"De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden."
radio
Zelfstandig naamwoord
  • (''geen verbuiging'') medium om informatie en amusement uit te zenden
"De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio."
radio
Zelfstandig naamwoord
  • toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
"De radio kraakt, hij moet nog ingesteld worden."
radio
Zelfstandig naamwoord
  • (''geen verbuiging'') medium om informatie en amusement uit te zenden
"De mensen hoorden het vreselijke nieuws op de radio."

Voorbeeldzinnen

  1. De radio is uit.
  2. Hoeveel kost deze radio?
  3. De radio werkt niet.
  4. Hoeveel kost deze radio?
  5. Doe de radio aan.
  6. Hij deed de radio aan.
  7. Is deze radio van u?
  8. Mijn radio is alweer stuk.
  9. De radio is te luid.
  10. Mag ik jouw radio lenen?
  11. Volgens de radio zal het morgen regenen.
  12. Ik heb de radio gerepareerd voor hem.
  13. Luister jij thuis dagelijks naar de radio?
  14. Kranten, televisie en radio heten massamedia.
  15. Gisternacht luisterde ik naar de radio.