Betekenis van:
brak
brak
Bijvoeglijk naamwoord
- met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
"Die sloot bestaat uit brak water."
brak
Bijvoeglijk naamwoord
- braak liggend
"De brakke grond kon worden gebruikt om huizen op te bouwen."
brak
Bijvoeglijk naamwoord
- onprettig voelend, flauw, met een kater
"Ik heb gisteren teveel gedronken en voel me nu brak."
brak
Zelfstandig naamwoord
- een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
"Er zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- De hel brak los.
- Hij brak het wereldrecord.
- Hij brak in tranen uit.
- Joan brak haar linkerarm in het ongeluk.
- De Tweede Wereldoorlog brak uit in 1939.
- De dood van haar zoon brak Mary's hart.
- Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.
- De twee kinderen trokken aan het touw tot het brak.
- De inbreker brak in het huis onder dekking van de nacht.
- als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;
- de saliniteit of de conductiviteit (in geval van zeewater of brak water);
- voor bruggen; als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;
- De simulatietest is een laboratorium-schudkolfstest om de snelheden te bepalen voor de aerobe biologische afbraak van organische stoffen in monsters van natuurlijk oppervlaktewater (zoet, brak of zout).