Betekenis van:
brak

brak
Bijvoeglijk naamwoord
  • zilt
"brakke grond"
"brakke en zoute getijdengebieden"

Hyperoniemen

brak
Bijvoeglijk naamwoord
  • met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
"Die sloot bestaat uit brak water."
brak
Bijvoeglijk naamwoord
  • braak liggend
"De brakke grond kon worden gebruikt om huizen op te bouwen."
brak
Bijvoeglijk naamwoord
  • onprettig voelend, flauw, met een kater
"Ik heb gisteren teveel gedronken en voel me nu brak."
brak
Zelfstandig naamwoord
  • een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
"Er zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De hel brak los.
  2. Hij brak het wereldrecord.
  3. Hij brak in tranen uit.
  4. Joan brak haar linkerarm in het ongeluk.
  5. De Tweede Wereldoorlog brak uit in 1939.
  6. De dood van haar zoon brak Mary's hart.
  7. Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.
  8. De twee kinderen trokken aan het touw tot het brak.
  9. De inbreker brak in het huis onder dekking van de nacht.
  10. als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;
  11. de saliniteit of de conductiviteit (in geval van zeewater of brak water);
  12. voor bruggen; als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;
  13. De simulatietest is een laboratorium-schudkolfstest om de snelheden te bepalen voor de aerobe biologische afbraak van organische stoffen in monsters van natuurlijk oppervlaktewater (zoet, brak of zout).