Betekenis van:
bungalow

bungalow (de ~ | meervoud bungalows)
Zelfstandig naamwoord
  • losstaand huis
"in een bungalow"

Hyperoniemen

bungalow
Zelfstandig naamwoord
  • woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
"Met de vakantie zitten we in een bungalow in de Ardennen."

Voorbeeldzinnen

  1. Tom en Mary wonen in een bungalow.