Betekenis van:
bungalow
bungalow (de ~ | meervoud bungalows)
Zelfstandig naamwoord
- losstaand huis
"in een bungalow"
Hyperoniemen
bungalow
Zelfstandig naamwoord
- woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
"Met de vakantie zitten we in een bungalow in de Ardennen."
Voorbeeldzinnen
- Tom en Mary wonen in een bungalow.