Betekenis van:
stroop
stroop
Zelfstandig naamwoord
- een dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
"Een boterham met stroop."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Levende gist– beleg te gebruiken stroop en stroop voor de productie van „Rinse appelstroop”
- tot een van de volgende categorieën behorende stroop, hierna „stroop” te noemen:
- als boterhambeleg te gebruiken stroop en stroop voor de productie van „Rinse appelstroop”
- de hoeveelheid stroop welke gedurende het betrokken verkoopseizoen in de onderneming die deze stroop heeft vervaardigd, tot suiker of invertsuiker werd verwerkt;
- de hoeveelheid suiker, invertsuiker en stroop, geproduceerd in het kader van de regeling veredelingsverkeer;
- Het wordt in de handel als stroop en als vaste stof geleverd
- de hoeveelheid invertsuiker vervaardigd van stroop welke niet gedurende hetzelfde verkoopseizoen werd geproduceerd als deze invertsuiker.
- Het wordt in de handel als stroop en als vaste stof geleverd
- bioethanol, alcohol, rum, levende gisten en hoeveelheden smeersiroop en hoeveelheden stroop voor de productie van „Rinse appelstroop”;
- de hoeveelheid invertsuiker vervaardigd van stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze invertsuiker heeft vervaardigd;
- Het in lid 1 bedoelde basisbedrag geldt niet voor stroop met een zuiverheid van minder dan 85 %.
- de hoeveelheid ruwe suiker vervaardigd van stroop welke niet gedurende hetzelfde verkoopseizoen werd geproduceerd als deze ruwe suiker;
- Suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen, andere dan stroop van isoglucose, van lactose, van glucose en van maltodextrine
- de hoeveelheid ruwe suiker vervaardigd van stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze ruwe suiker heeft vervaardigd;
- de hoeveelheid witte suiker vervaardigd van ruwe suiker of stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze witte suiker heeft vervaardigd;