Betekenis van:
taxi
taxi (de ~ | meervoud taxi's)
Zelfstandig naamwoord
- huurauto met chauffeur, voorzien van een taxameter
"een taxi aanhouden"
"een taxi bellen"
Hyperoniemen
taxi
Zelfstandig naamwoord
- een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
"Ik heb maar een taxi genomen."
Voorbeeldzinnen
- Taxi
- Kunt u een taxi voor me bestellen?
- Neem een taxi naar het hotel.
- Ze nam de taxi naar het museum.
- Hij riep een taxi voor mij.
- Ik nam een taxi, omdat het regende.
- Ik nam een taxi, omdat de bus te laat was.
- "Is dit een illegale taxi?", vroeg ik hem.
- We namen een taxi om er op tijd te geraken.
- het voertuig wordt gebruikt als taxi,
- De nationale „Taxi”-categorie is op 1 oktober 1998 afgeschaft.
- Vervoer van individuele personen of groepen personen en hun bagage, per taxi of huurauto met chauffeur.
- de extra tijd in de taxifase bij vertrek (Taxi-Out-Phase);
- Taxi- en parkeerkosten gemaakt op het vertrekpunt (of op de luchthaven van vertrek) worden niet vergoed.
- B* voor voertuigen uit categorie B die als taxi, voor autoverhuur, personenvervoer enz., worden gebruikt. Voor de bevoegdheid tot het besturen van voertuigen uit categorie AF en/of BF waren de geldigverklaring van categorie A en/of B en van categorie F en de vermelding van het kentekennummer op het rijbewijs vereist.