Betekenis van:
winter

winter (de ~ | meervoud winters)
Zelfstandig naamwoord
  • het koude seizoen; deel v.h. jaar waarin het het koudst is
"'s winters"
"in de winter"

Synoniemen

Hyperoniemen

winter
Zelfstandig naamwoord
  • het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september
winter
Zelfstandig naamwoord
  • het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De winter is mijn lievelingsseizoen.
  2. Ik hou van de winter.
  3. In de winter wordt het vroeg donker.
  4. Na de winter komt de lente.
  5. Het heeft die winter veel geregend.
  6. In de winter barsten onze lippen.
  7. Hij skiet elke winter in Hokkaido.
  8. Het sneeuwt hier altijd in de winter.
  9. Kwaliteitsfruit is schaars in de winter en het kost veel.
  10. In de winter slaap ik onder twee dekens.
  11. De temperatuur is deze winter hoger dan gemiddeld.
  12. We krijgen waarschijnlijk niet veel sneeuw deze winter.
  13. Het duurt niet lang meer voordat de winter vakantie afgelopen is.
  14. Die vogels bouwen in de zomer hun nest en vliegen in de winter naar het zuiden.
  15. In de winter vliegen de droge bladeren in de lucht rond.