Betekenis van:
winterseizoen
winterseizoen (het ~ | meervoud winterseizoenen)
Zelfstandig naamwoord
- het koude seizoen; deel v.h. jaar waarin het het koudst is
"in het winterseizoen"
"het komende/nieuwe/afgelopen winterseizoen"
Synoniemen
Hyperoniemen
Voorbeeldzinnen
- 75 % gedurende het winterseizoen
- Kalenderjaar en winterseizoen (1 oktober tot en met 31 maart)
- Het netto-exploitatietekort is het verschil tussen de gecumuleerde verliezen die doorgaans in het winterseizoen worden geboekt, en de baten die met name in de zomer worden geboekt.
- Uit de feiten blijkt trouwens dat de vluchten in het winterseizoen uitsluitend als bestemming de luchthavens van Fiumicino en Linate hebben.
- 75 % van de uurwaarden gedurende het zomerseizoen (april tot en met september) en 75 % gedurende het winterseizoen (januari tot en met maart, oktober tot en met december), afzonderlijk beschouwd
- Het komt er dus op aan om „de gunstige effecten van de operationele onderlinge afhankelijkheid” te benutten, die het mogelijk maken om „in het winterseizoen de vliegtuigen, dankzij de beperktheid van de vraag, elders te gebruiken” terwijl „het vooruitzicht van gekoppelde routes ertoe bijdraagt zich kandidaat te stellen voor de exploitatie ervan”.
- Eén belanghebbende betoogde dat een streefwinst van 5 % voor het tweede kwartaal van het OT overschat was, aangezien in dit kwartaal (4e kwartaal van 2008) niet alleen de vraag lager was (winterseizoen) maar de mondiale economische crisis ook de petproducenten zwaar trof.