Betekenis van:
schaak
schaak (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- bepaalde positie in het schaakspel
"zich aan het schaak onttrekken"
"schaak staan"
Hyperoniemen
Hyponiemen
schaak
Zelfstandig naamwoord
- een bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt
"De koning stond schaak en kon niet weg vanwege een pion."
schaak
Zelfstandig naamwoord
- het schaakspel als zodanig
"Een potje schaak spelen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wij spelen dikwijls schaak.
- Na de school spelen we dikwijls schaak.