Betekenis van:
schaak

schaak (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • schaakspel
"een partij/potje schaak"
"(een potje) schaak spelen"

Hyperoniemen

schaak (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaalde positie in het schaakspel
"zich aan het schaak onttrekken"
"schaak staan"

Hyperoniemen

Hyponiemen

schaak
Zelfstandig naamwoord
  • een bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt
"De koning stond schaak en kon niet weg vanwege een pion."
schaak
Zelfstandig naamwoord
  • het schaakspel als zodanig
"Een potje schaak spelen."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wij spelen dikwijls schaak.
  2. Na de school spelen we dikwijls schaak.