Betekenis van:
buitenzijde

buitenzijde
Zelfstandig naamwoord
  • die kant die buiten ligt
"Aan de buitenzijde van de stadsmuur lagen voornamelijk akkers en boomgaarden."
buitenzijde (de ~ | meervoud buitenzijden)
Zelfstandig naamwoord
  • uitwendige; buitenkant
"aan de buitenzijde van iets"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. buitenzijde binnenzijde
  2. Buitenzijde van het voertuig
  3. Buitenzijde van het voertuig
  4. zonnekleppen aan de buitenzijde.
  5. Positie van de zijafscherming aan de buitenzijde
  6. Afmetingen van het spatbord en de zijafscherming aan de buitenzijde
  7. waarvan de buitenzijde is vervaardigd van een en dezelfde stof
  8. Voorbeeld van de meting van de zijafscherming aan de buitenzijde
  9. Onderzoek van de buitenzijde van de las voor metalen tanks
  10. Vluchtwegen op kunstwerken moeten aan de buitenzijde zijn uitgevoerd met leuningen ter beveiliging van de reizigers.
  11. is voorzien van een middel om de deur in noodgevallen van de buitenzijde te kunnen openen;
  12. Zij mogen op geen enkele wijze worden geblokkeerd door aan de binnen- of buitenzijde aangebrachte toebehoren.
  13. KLASSEN VAN GEDRAG BIJ EEN BRAND VANAF DE BUITENZIJDE VOOR DUBBELWANDIGE METALEN SANDWICHPANELEN VOOR DAKEN
  14. Beide soorten multiplex van okouméhout zien er aan de buitenzijde hetzelfde uit.
  15. De vuleenheid aan de buitenzijde is met de tank verbonden via een slang of pijp.