Betekenis van:
brandweer

brandweer (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het geheel van de personen en gereedschappen bestemd om voorkomende branden te blussen
"de brandweer rukt uit"
"de brandweer was de hele nacht bezig met blussen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

brandweer
Zelfstandig naamwoord
  • de instantie die zich bezighoudt met het redden van mens en dier en het voorkomen en bestrijden van brand

Voorbeeldzinnen

  1. Brandweer
  2. Brandweer- en reddingsdiensten
  3. Fire Authorities (brandweer)
  4. Sicherheit (Feuerwehren, Rettungsdienste) (veiligheid: brandweer, reddingsdiensten)
  5. Uitrusting voor veiligheid, brandweer, politie en leger
  6. Brusselse hoofdstedelijk Dienst voor Brandweer en dringende medische Hulp C
  7. Brandweer, beveiliging, alarmsysteem, controle van de brandtechnische voorzieningen
  8. brandblussysteem en/of rechtstreekse verbinding met de brandweer;
  9. Brandweer- en reddingsdiensten zijn een van de voorwaarden om een exploitatievergunning te krijgen.
  10. vertegenwoordigers van noodhulpdiensten, met inbegrip van brandweer en reddingsdiensten, zowel op lokaal als op nationaal niveau
  11. Evacuatieprocedures voor de brandweer moeten met de ontvangende staat worden afgesproken.
  12. De luchthaven is wettelijk verplicht brandweer- en reddingsdiensten inzetklaar te houden.
  13. leden van de politie en de brandweer: dienst Sociale zekerheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken
  14. voor functionarissen van de politie, de nationale brandweer, de grenswacht, de interne veiligheidsdienst, de buitenlandse inlichtingendienst en het gouvernementele veiligheidsbureau:
  15. voertuigen die worden gebruikt door de brandweer en voertuigen die worden gebruikt bij de handhaving van de openbare orde;