Betekenis van:
heen
heen
Bijwoord
- weg
"Heengaan - hij ging heen."
heen
Bijwoord
- in de richting van, naartoe
"Erheen - hij ging er snel heen."
heen
Bijwoord
- scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
"Hij reed over de brug heen."
heen
Bijwoord
- ''~ en weer'': in een bepaalde richting en weer terug
"De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Waar ging je heen?
- Waar ga je heen?
- Papa, waar ga je heen?
- Ik ga er alleen heen.
- Hij loopt constant rusteloos heen en weer.
- Hij kwam niet door de blaastest heen.
- Ik vroeg hem waar hij heen ging.
- Ze is daar niet heen gegaan.
- In welke richting ging hij heen?
- Je hoeft daar niet heen te gaan.
- Zwarte wolken dreven over de stad heen.
- Waar zou je als eerste heen willen?
- In welke richting ging hij heen?
- Zonder jou ga ik nergens heen
- Waar gaat gij heen?