Betekenis van:
heen

heen
Bijwoord
  • weg
"Heengaan - hij ging heen."
heen
Bijwoord
  • in de richting van, naartoe
"Erheen - hij ging er snel heen."
heen
Bijwoord
  • scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
"Hij reed over de brug heen."
heen
Bijwoord
  • ''~ en weer'': in een bepaalde richting en weer terug
"De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Waar ging je heen?
  2. Waar ga je heen?
  3. Papa, waar ga je heen?
  4. Ik ga er alleen heen.
  5. Hij loopt constant rusteloos heen en weer.
  6. Hij kwam niet door de blaastest heen.
  7. Ik vroeg hem waar hij heen ging.
  8. Ze is daar niet heen gegaan.
  9. In welke richting ging hij heen?
  10. Je hoeft daar niet heen te gaan.
  11. Zwarte wolken dreven over de stad heen.
  12. Waar zou je als eerste heen willen?
  13. In welke richting ging hij heen?
  14. Zonder jou ga ik nergens heen
  15. Waar gaat gij heen?