Betekenis van:
ouderpaar

ouderpaar (het ~ | meervoud ouderparen)
Zelfstandig naamwoord
  • stel ouders
"in de sloot woont een ouderpaar eenden met vele jonge eendjes"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Voor het kweken van monogame soorten dienen familiegroepen te worden samengesteld bestaande uit een ouderpaar en twee of meer groepen nakomelingen.
  2. Penseelaapjes en tamarins dienen te worden gehuisvest in familiegroepen bestaande uit een ouderpaar (een mannetje en een wijfje die onderling niet verwant zijn) en één of meer reeksen nakomelingen.
  3. In het wild hebben zij één tot vier ha grote territoria die worden bezet door uitgebreide families die drie tot vijftien dieren tellen en bestaan uit een ouderpaar en hun nakomelingen.